De toegepaste architect: tolk van de bouwwereld




‘Teken eens een huis.’ De opdracht klinkt eenvoudig, behalve voor de ontwerpstudent. Een student in de architectuur moet dan ook met zoveel zaken rekening houden als hij een gebouw op papier zet. Te beginnen bij zijn eigen sterktes, want niet elke ontwerpstudent voegt hetzelfde toe aan een architecturaal project. Bart Milon, Opleidingscoördinator Toegepaste Architectuur aan Thomas More, legt uit wat hij van zijn studenten verwacht, waar ze zeker op moeten inzetten en waar volgens hem hun toekomst ligt.

Stefan De Feyter (l) in dialoog met Bart Milon (r)

De brugfunctie

“Eigenlijk willen we in de opleiding Toegepaste Architectuur géén ontwerpers opleiden,” stelt Milon. Maar een toegepast architect moet zich wel kunnen inleven in de ideeën van een architect en ze op een correcte, technische manier kunnen uitwerken.” Milon ziet eerder een brugfunctie weggelegd voor de studenten Toegepaste Architectuur. Ze zullen zich positioneren tussen de architect en de verschillende bouwpartners. “Architecten lopen daar soms tegen een muur. Hun ideeën worden niet altijd correct geïnterpreteerd.” De docent noemt het lost in translation. De toegepaste architect wordt zo dus een tolk voor de bouwwereld.

“Als je kijkt naar de bouwcultuur, zie je in feite een reflectie van onze samenleving. Die kan lokaal zeer verschillend zijn. Het is pas als je de geschiedenis van een plek kent, dat je kunt begrijpen waar de hedendaagse architectuur naartoe gaat.”

In tijden van toenemende globalisering ziet Milon net het belang in van lokale waarden en tradities. Als architect voor MVRDV zat hij vaak op het vliegtuig naar verre oorden, het ene al grootser dan het andere, maar allemaal met hun eigenheid. “Het belangrijkste bij ontwerpen voor een andere cultuur, is dat we rekening houden met de unieke inzichten die zij ons aanleveren. We mogen er niet zomaar neerstrijken als de koloniaal die zijn ideeën eens elders op de kaart zal zetten. We moeten de goede elementen van beide bouwculturen verenigen. We moeten durven experimenteren. ”

Milon wil zijn studenten, samen met alle andere bouwkundigen en ontwerpers, aansporen om zoveel mogelijk te experimenteren. “Want daar ligt de vooruitgang,” meent hij. “En dat experiment begint al aan de ontwerptafel: bij MVRDV gooiden we eerst echt alle ideeën op tafel - sterk en zwak, vreemd en traditioneel. Daarna deden we aan schifting door elkaars ideeën uit te dagen. Enkel het beste idee bleef over. Een beetje zoals bij survival of the fittest.”

Milon moet wel toegeven dat deze manier van werken niet iedereen is meegegeven. Zo zijn de architecten in België naar zijn aanvoelen nog steeds iets gereserveerder dan hun Nederlandse collega’s. “Nederlandse architecten volgen meestal een cultuur van ‘alles kan en we gaan het ook doen.’ Terwijl de ontwerpers in België vaak nog reageren met een ‘Hm, ja. Zou het wel? Misschien toch niet.’” Er mist dus een zekere architecturale durf. Vanuit deze perceptie zou de docent zijn studenten graag wat meer de grenzen van de gekende bouwwereld zien opzoeken. “Als het dan niet blijkt te werken, hebben ze het toch geprobeerd. Uit eventuele fouten wordt geleerd en van daaruit bouwen ze verder.”

Het digitale scripten

Milon wil ook inzetten op het constructieve gebruik van digitale bouwtools. “CAD- en BIM-tools vereenvoudigen ons werk aanzienlijk. Vooral het digitale scripten is volgens mij een tool voor de toekomst. Steeds meer zaken zullen en kunnen nu aan de hand van deze intelligente software berekend worden.”

Als voorbeeld haalt de architect het bestuderen van daglichttoetreding aan: “Hoe hoger dat je gaat in een gebouw, hoe meer daglicht dat je krijgt. Dat gaat natuurlijk gepaard met de opwarming van je appartement. Om dit tegen te gaan, moet je het glasoppervlak naar boven toe beperken.” Hoeveel glas blijft er dan nog over? “Ja, dat is niet zo simpel in 2D uit te denken. Bij dit soort vraagstukken moet je echt in 3D denken, want de zon beschrijft ook een orbit. Dat is dus een enorm complex gegeven. Maar laat er even een script op los en je ziet onmiddellijk het resultaat.”

In Vectorworks biedt Marionette op veel van dergelijke vraagstukken al een antwoord, dankzij het eenvoudig aan te leren Vectorscript. Gedaan met uren opmeten, uittekenen, uitrekenen en herbeginnen. “De mogelijkheden van deze softwarepakketten zijn echt oneindig. Ook op vlak van BIM geloof ik dat ze het werk van de architect, aannemer en uitvoerder zullen vergemakkelijken. Vandaar dat de studenten Toegepaste Architectuur, als brug tussen al deze partijen, bij het afstuderen BIM moeten ademen.”

Persoonlijk ziet Milon zeer veel potentieel in BIM-programma’s als indicator van mogelijke fouten. “Elk bouwproject wordt uiteindelijk neergezet door mensen en mensen maken fouten. Deze fouten worden niet altijd opgemerkt, zeker niet in 2D. Dan sta je daar plots op de werf en merk je dat je allerlei zaken nog ter plekke moet aanpassen. Dankzij BIM wordt dit soort fouten zeer effectief gereduceerd.”

Verder zal BIM er volgens de docent ook voor zorgen dat de betrokken personen een veel beter inzicht gaan krijgen in de werking van gebouwen, in hoe deze gebouwen precies in elkaar zitten. “Zo kan BIM eigenlijk een optimalisatie verzorgen van de verschillende bouwprojecten en uiteindelijk dus ook een optimalisatie betekenen van onze diverse samenleving.”

www.designexpress.eu © Design Express 2011 privacy tel BE 015 71 96 00 tel NL 0182 756 660